‘Strato-’ is een Latijns voorvoegsel dat afgeleid is van ‘stratus’ of ‘stratum’, wat ‘laag’, ‘laagvormig’ of ‘uitspreiding’ betekent. Het wordt gebruikt om gelaagde structuren aan te duiden, zoals bij wolken: ‘stratocumulus’ is een stapeling van losse wolken (‘cumulus’) waartussen kleine stukken blauwe hemel zichtbaar zijn.
Nee, je hoeft de Latijnse namen van wolken niet te kennen voor het examen, maar je moet de wolken wel kunnen beschrijven. De meest voorkomende namen zijn ‘cirrus’ (in relatie tot een beginnend warmtefront) en ‘cumulonimbus’ (in het Gronings: de ‘dikke dunderwolke’). ‘Nimbostratus’ is het dikke grijze wolkendek waar regen uit valt.
Zie pagina 11 van HWV. Kort samengevat: de lucht beweegt bij een lagedrukgebied over de aarde naar de kern van dat lagedrukgebied. Door het Corioliseffect buigt de wind naar rechts (met je rug in de wind). De som van die rechtsafbuigingen resulteert in een linksom draaiende wind.
Als de wind van richting verandert, kan dat op twee manieren: linksom of rechtsom. Als de wind tegen de wijzers van de klok in draait, oftewel tegen de richting van de zon in, bijvoorbeeld van west naar zuid, noemen we dat ‘krimpen’.
Voor hulp over de procedures rond de biotoop (ruimtelijke ordening, omgevingsplannen) kun je terecht bij de gemeente of provincie en bij De Hollandse Molen.
Wolken kunnen zich vormen tot een hoogte van 10-13 km.
Een wolk op maaiveldhoogte noemen we ‘mist’.
Als een depressie ten noorden van de molen voorbij trekt, bevind je je in het deel van de depressie waar de fronten zich bevinden. Dit leidt tot regen en windsprongen. De wind zal overwegend krimpen. Ervaring leert dat krimpende winden vaak ongunstig zijn (‘krimpende winden zijn stinkende winden’).
Je kunt de weerkaarten van het KNMI snel vinden door de MsMOG-website te bezoeken. Op de voorpagina, rechtsonder, zie je het 'muldersweer’. Daar vind je ook icoontjes van weerkaarten. Door erop te klikken, krijg je de weerkaart in een venster te zien.