De twee grote onderdelen die de vier enden vormen, heten ‘de roeden’.
Het gevlucht was in de 18e eeuw voornamelijk van hout gemaakt.
Molens kunnen worden aangedreven door dieren (rosmolen), wind (windmolen) of water (watermolen).
In de provincie Groningen staat in Bourtange een rosmolen naast een standerdmolen.
Drie vierkante molens zijn: de standerdmolen, de wipmolen en de spinnekop. Het boek noemt ook nog de weidemolen en de paltrok.
We vinden bergmolens in het zuiden van het land. Zo worden daar molens genoemd die elders als ‘beltmolen’ bekendstaan.
Tjaskers zijn eenvoudige, houten poldermolentjes. Ze worden gebruikt om kleinere polders of plassen te bemalen.
Een achtkante molen die zonder staart kan kruien, heet een 'binnenkruier'.
Een hennepklopper is een molen die met behulp van stampers de ruwe hennep bewerkte. Ze werden ook wel ‘stofmolens’ genoemd.
Je kunt vaak zien waar een molen staat of heeft gestaan aan de kenmerkende kleuren van de beschildering. De vormen van kap en romp vertonen ook vaak streekgebonden kenmerken. Maar ook de uitvoering van diverse onderdelen verschilt, zoals de wijze van aanbrengen van de korte en lange schoren op de staartbalk.