De ton die om de vijzel van de tjasker is bevestigd, zit aan de vijzel vast en draait dus mee met de vijzel.
Een tjasker die je aan een ketting aan de penbalk rond kunt trekken, is een paaltjasker.
De vang van een tjasker bestaat uit een metalen band die om een vangwiel loopt. Dit wiel zit om de as van de tjasker. Met een hendel kan de band worden vastgetrokken of gelost.
Het terugdraaien van het gevlucht van een tjasker wordt voorkomen door gebruik te maken van een palrad dat op de as is bevestigd.
Vanaf 1615 begon de paltrok zijn opmars in de Zaanstreek. Hij bleek een enorm succes.
De houtzagersgilden waren tegen de paltrok omdat elke paltrok het werk overnam van ongeveer 50 handzagers.
De drie horizontaal liggende balken die de paltrok ondersteunen, zijn de sleutelbalk en de twee kotbalken.
De kruirollen bij de paltrok zijn vooral bedoeld om de molen in balans te houden. Ze dragen maar weinig gewicht.
De vierkante spinnekop verschilt van de wipmolen door een kleiner (korter) bovenhuis zonder schoren en korbelen. De steenburrie van de spinnekop draagt geen gewicht. De spinnekop heeft een relatief grote stapeling, omdat anders het gevlucht tegen de hoeken van de ondertoren zou slaan.
De spinnekop kwam oorspronkelijk uit Friesland.
Weidemolens werden geplaatst in polders waarvan de percelen niet overal evenveel inklonken. Hierdoor was het centraal vastgestelde waterpeil niet naar ieders wens te regelen. De boeren gingen ertoe over hun eigen perceel van enkele hectare te bemalen met hun eigen weidemolen.