De wip heeft zware balken in het bovenhuis vanwege de grote krachten die tijdens het malen op het bovenhuis werken.
De hoofdonderdelen van de constructie die het bovenhuis van de wip draagt, zijn de steenburriebalken, de voegburriebalken en de kalven.
De constructie boven in de wip die vergelijkbaar is met de voegburrie heet steenburrie.
Het meeste gewicht wordt in een wip gedragen door de bovenzetel. Dat is volgens het boek tweederde van het gewicht, dus 60-70%.
De steenlijsten liggen bij de wip uit het midden om een goede gewichtsverdeling in de lengterichting van het bovenhuis te bereiken. De afstand tot de voorkant, het stormbint, is korter omdat aan die zijde het zware gevlucht hangt.
Een ojief is een functionele versiering van het uiteinde van een balk. Het ojief, net als zijn collega ‘de duvejager’, dient om afwatering te vergemakkelijken en zo inrotten van de kopse kanten te voorkomen.
De daklijsten van de wipmolen zijn vaak afgewerkt met een ojief.
Bij de wip wordt versteviging tegen schranken van het stormbint verkregen door het aanbrengen van korbelen in de hoeken tussen de hoekstijlen en de tempelbalk, en met kruisschoren of weegbanden diagonaalsgewijs tussen de horizontale balken en de korbelen.
Bij een wipmolen ligt de windpeluw op de daklijsten.
De balk waarop de schaarstijlen staan bij de wipmolen heet de draagbalk.
Ongeveer 90% van het gewicht van het gevlucht van een wipmolen wordt gedragen door de windpeluw. Om dat gewicht te kunnen dragen, is deze zeer zwaar uitgevoerd en wordt hij in het midden tegen doorbuigen ondersteund door het blokkeel op de borstnaald. Via deze borstnaald dragen dus tevens de tempelbalk, middenbalk en voorzomer de zware as en het gevlucht.