De penbalk kan bewegen om de afstand tussen de askop en het steenbord af te stellen.
Er is vaak een broekbalk of broekstuk tussen de penbalk en de achterkeuvelens aanwezig, maar niet altijd.
De bovenste balk die het achterkeuvelens afsluit, heet de achterkeuvelensbalk.
Het onderdeel dat slijtage van de overring ter hoogte van de windpeluw compenseert, heet het slagstuk.
De (verticale) rietsporen en (horizontale) rinkellatten ontbreken op een houtgedekte kap.
Vrijwel alle binnenkruiers staan in de provincie Noord-Holland.
Men voorkomt het loswerken van de kruipollen door ze aan weerszijden stevig te schoren.
Er zitten in totaal 16 kruikrammen in een binnenkruier: 2 aan elke kant van elk achtkantstijl.
Het galghout is een extra balk waarmee de korte schoren en de staartbalk met elkaar zijn verbonden.
We komen de kruihaspel vaak tegen op de standerdmolen.
In Groningen komt heel vaak nog zelfzwichting voor, wat je met name in Duitsland vaak in combinatie met zelfkruiing ziet.
De zijkanten van de kast van de standerdmolen noemen we de zijwegen.
Wij zitten op het noordelijk halfrond en daar buigt de wind naar rechts af als je met de rug in de wind staat.
De kardoezen zitten bij de ronde stenen molens bovenin onder de kruiring en dienen als ondersteuning. Bij achtkante molens heten ze blokkelen.
Een gevaar van zelfkruiing is dat je het gevlucht niet kunt borgen met een roedeketting.
Koude lucht is het zwaarst. Het is van belang voor de molenaar omdat koude lucht die met dezelfde snelheid beweegt meer energie overbrengt dan warme lucht.