In volgorde van oud naar nieuw tot aan de poldermolen!
De poldermolen werd in de 15e eeuw uitgevonden.
In de 15e eeuw werd de schepradmolen uitgevonden.
Een schepradmolen kan water tot ongeveer 1,5 meter opvoeren.
Men bouwde een molengang met meerdere schepradmolens achter elkaar zodat elke molen de maximale opvoerhoogte aan water kon opvoeren naar de volgende molen. Dit kon een molengang van twee, drie, of zelfs vier molens zijn.
Wanneer water van de boezem naar de molentocht wordt gemalen, noem je dat inmalen. Dit werd gedaan op tijden wanneer er te weinig water in de polder aanwezig was.
De naam van de houten uitbouw bij een schepradmolen is het pothuis of pothok.
Een krooshek houdt wrakhout en andere grote stukken tegen die het scheprad kunnen beschadigen.
De krimpmuur vernauwt, waardoor de ruimte tussen de krimpmuren kleiner wordt. Dit zorgt ervoor dat het water sneller stroomt bij het scheprad, zodat deze makkelijker gevuld wordt en daardoor efficiënter is.