Schaarstijlen komen voor in poldermolens met een scheprad.
De eiken balk tussen de schaarstijlen is verstelbaar om de koningspil te kunnen verplaatsen. Hierdoor wordt ook de vastgewigde onderschijfloop van het waterwiel losgekoppeld, zodat de molen uit het werk kan worden gezet.
Als het scheprad tegen één muur aanloopt, kun je dit herstellen door de wiggen in de lagerstoelen te lossen en vervolgens weer aan te slaan, met het rad nu recht. Als het scheprad te ver naar binnen of buiten loopt maar wel recht tussen de krimpmuren staat, kun je het scheprad met de lapbalken in het midden van de krimpmuur stellen.
Het winterpeil van een polder ligt meestal tussen de 10 en 20 centimeter lager dan het zomerpeil. Voor een polder met een zomerpeil van 1,8 meter onder NAP is dat dus 1,9 tot 2 meter onder NAP.
In Slochteren, dat ver onder de zeespiegel ligt, houden we droge voeten door dijken en gemalen. Molens zijn een oudere vorm van deze gemalen.
De vijzel ligt meestal in het midden van de molen omdat het vijzelwiel meestal door de bonkelaar wordt aangedreven, die om de koningspil is bevestigd. De koningspil staat in het midden van de molen, waardoor de vijzel daar begint. De kortste weg voor één vijzel is de rechte lijn midden door de molen. Er zijn molens met twee vijzels. Dan is vaak de uitloop in het midden van de molen, maar de inlaten zitten op twee verschillende plekken.
De constructie, die bestaat uit twee slagstijlen en een slagdorpel, waar de wachtdeur tegenaan is gehangen, heet het ‘wachtkozijn’.
De houten delen die in de vijzelbalk steken, heten ‘duigen’.
De duigen, die als een spiraal in de vijzelbalk zijn vastgenageld, worden samen een ‘gang’ genoemd.
Het zware werk in een vijzelmolen met twee rijen kammen heet zo omdat de molen zwaar moet werken om het vijzelwiel rond te krijgen als de buitenste rij wordt gebruikt. Voor het zware werk is een stevige wind nodig.
Het coriolis-effect is de afwijking van de luchtstroomrichting. Op het Noordelijk halfrond een afwijking naar Rechts en op het Zuidelijk halfrond naar links. De lucht stroomt met een grote bocht naar rechts in de richting van de kern van het lagedrukgebied. Als je met de rug in de wind gaat staan ligt de kern van de depressie aan je linkerkant.
Het lagedrukgebied ligt dan linksvoor ongeveer tussen de 10 en 11 op je horloge.
Zeewind ontstaat langs de kust, tot ongeveer 30 kilometer landinwaarts, alleen in de zomer en vanaf 11.00 uur 's morgens. Hij ontstaat bij rustig weer (minder dan 3 Bft) als het boven land veel warmer is dan boven zee. De warme lucht stijgt op en koele lucht vanaf zee vult aan. Het koelt sterk af rond de middag, maar tegen de avond verdwijnt de zeewind weer.
Een molenbiotoop wordt vastgelegd in het omgevingsplan van de gemeente. Dit plan is ofwel een nieuw opgezet plan of het voormalige bestemmingsplan dat tot 1-1-2024 gold, aangevuld met een aantal milieuregels. De informatie uit het Gilde-materiaal is op dit punt achterhaald.
Een sterke daling van de luchtdruk betekent dat een lagedrukgebied (depressie) diep is en sterke wind met zich meebrengt. Oppassen dus. Dit kenmerkt zich op een weerkaart door dicht op elkaar gepositioneerde isobaren met de ‘L’ in het midden.