Les 10
(2026)

De brasem komt voor in de standerdmolen en wordt gebruikt als ophoging onder de steenbalk.

De naald is verticaal in het midden aan het stormbint bevestigd en zorgt voor de puntige vorm aan de voorzijde van de kast.

Aan de onderzijde van de naald bevindt zich de eikel als versiering.

De standerd wordt gedragen door de binnenste steekbanden. De buitenste steekbanden dragen de zetel.

De stormpen draagt meer gewicht dan de zetel. De verhouding is 80% op de stormpen en 20% op de zetel.

De stormpen draait in de steenbalk.

Aan de uiteinden van de steenbalk vinden we de steenlijsten.

De lange burriebalken bevinden zich onderaan de kast van voor naar achteren. Dwars daarop liggen de korte burriebalken.

De korte burriebalken dragen de waterlijsten aan de uiteinden. De lange burriebalken liggen om het ronde deel van de standerd heen.

Aan de voorzijde heet de balk het voorkalf en aan de achterzijde het spoorblok, samen met het achterkalf.

De brasem wordt onder de steenbalk gevoegd en de slekken onder de lange burriebalken.

De hel is onder de steenbalk boven de burriebalken. Dit is een ruimte waar je de stormpen en de zetel kunt smeren.

Als je de standerd binnenkomt, is het waar de eerste maalstoel staat.

Het fluitgat zorgt ervoor dat de molenaar weet wanneer de molen weer een stukje gekruid moet worden. Als de wind op een bepaalde manier door een van de twee gaten blaast, gaat deze fluiten.

Als het plotseling kouder is geworden na het passeren van een front is er een koufront voorbij gekomen.

Met bovengenoemde wolken kun je zwaar weer verwachten met waarschijnlijk veel wind. Eerst in de heersende richting, maar bij het overtrekken ook val- en buienwind tegen de heersende windrichting in.

Kracht 4 uit het oosten is meestal gunstiger omdat oostenwind meestal een constante wind is.

🔝