Les 17
(2026)

Bij een stenen onderbouw rust de binnensluiting op de stiepen, soms op extra beugels en/of losse stiepjes in een veld.

Oren komen voor op de hoeken van de binnensluiting, de hoeken van de buitensluiting en de hoeken van de balie (dekkers).

Het zichtbare verschil tussen een hoekligger en een veldligger is de afwerking van de kopse kant. De hoekligger is vaak ook wat breder dan de veldligger.

De in Groningen gangbare naam voor de schrankschoor is ‘kraaienpoot’.

Men brengt tegenwoordig een strook bitumen aan op de bovenkant van de liggers om inwateren te voorkomen.

De schopplank is een extra stellingschroot die vlak boven de stellingplanken (ook wel ‘stellingdelen’ genaamd) is geplaatst. Die voorkomt dat voorwerpen per ongeluk van de stelling kunnen vallen. Het is dus een veiligheidsvoorziening.

Vroeger gebruikte men geen schopplank omdat men dat te duur vond. De molenaar moest gewoon beter opletten, vond men indertijd.

Een molen met een rondgaande ketting heeft geen stellinghaken.

Molens rond het Middellandse Zeegebied hebben meestal geen kruiwerken omdat de wind daar in één richting heerst.

Het onderdeel tussen de voeghouten en de kruirollen wordt ‘de overring’ genoemd.

De molenmaker plaatst de rollenwagen netjes tussen de kap en de kruivloer door de kap er pas op te zetten nadat de kruivloer en rollenwagen zijn bevestigd.

🔝