Ja, het dragen van valbeveiliging tijdens het voordragen van zeilen is verplicht. In het boek stond eerder 'sterk aanbevolen', maar dat is inmiddels gewijzigd.
Molenaars hebben ongeveer 500 jaar gebruikgemaakt van een dwarsgetuigd gevlucht.
Men is gestopt met het gebruik van het dwarsgetuigd gevlucht omdat er efficiëntere vormen werden gevonden, waardoor de molen vaker gebruikt kon worden.
Het Oudhollands wieksysteem heeft twee innovaties ten opzichte van het dwarsgetuigd wieksysteem: de zeeg en de voorzoom met windborden. Daarnaast gaat het zeil langer mee omdat het niet meer over de roe schuurt.
De borstroede bestaat uit drie delen: de borst en twee oplangers. De borst is 6-7 meter lang, heeft een doorsnede van 30-40 cm en steekt door de askop. De oplangers worden met stroppen en bouten aan de voorkant van de borst vastgeklemd.
De einden van het haspelkruis zijn rond de askop verankerd met stutten en stroppen.
De voordelen van een haspelkruis ten opzichte van een regulier wiekenkruis zijn dat het een stevig geheel rond de askop vormt, waardoor deze niet verzwakt wordt door grote roedegaten. Een bijkomend voordeel is dat de askop bij deze constructie veel kleiner kan zijn dan voorheen gebruikelijk was. Bij breuk hoefde vaak maar één eind vervangen te worden.
Er is nog één molen met een houten haspelkruis in Nederland: de Robonsbosmolen in Alkmaar.
Om aan de roeden enige stroomlijn te geven, werden de houten roeden aan de voorkant en aan de achterkant afgeschuind ter bevordering van de geleiding van de invallende wind. Deze afschuining heet biljoening. Potroeden werden alleen aan de voorzijde gebiljoend.
De binnenroede heeft porring.
Het verloop van de heklatten in het hekwerk heet 'de zeeg'. De zeeg is een vorm die door alle heklatten samen wordt gevormd. De 'schoot' is de hoek die een individuele heklat met de roede maakt en verschilt per heklat.
Ja, als de molen snel op veranderende wind moet reageren, is een vlakke zeeg aan te raden. De molen heeft dan wel weinig trekkracht.
Een roerom zijn 4 houten plankjes die dusdanig aan elkaar zijn gezet dat ze een onder- en overdruk veroorzaken tijdens het draaien. Bakkers molentje bij de Ruiten heeft een roerom. Vooral weidemolens waren ermee uitgerust.
Het grote verschil tussen een wipmolen en een standerdmolen is dat een wipmolen een koker heeft in plaats van een standerd. In die koker draait een koningsspil die tot in de voet loopt en daar werktuigen aandrijft.
De uitbouwsels aan de zijkant van de paltrokmolen heten ‘luiven’.
Vierkante molens (standaard, wip-, paltrok- en spinnekopmolen), achtkante en zeskante molens (ook als stelling- en belt-molens), grondzeilers (ook als zelfzwichter), torenmolens (soms op belt), ronde stenen molens (ook met stelling of op belt), weidemolens, tjaskers, veelkante molens.