Les 21
(2026)

Biljoening is het licht afschuinen van de hoek of hoeken van een roe, zodat deze makkelijker in de wind draait. De zeeg is de vorm van het hekwerk van de molen, zichtbaar in de licht slingerende lijn van de achterzoom. De schoot is de hoek waaronder de heklatten ten opzichte van de roede staan, en deze kan per heklat verschillen. De porring is de buiging van de binnenroe, die ervoor zorgt dat de uiteinden van de enden in hetzelfde vlak draaien. De steek is de afstand tussen de harten van twee kammen in een molenwiel.

Een andere functie van molenwielen is het regelen van de snelheidsverhouding tussen het gevlucht en de instrumenten.

Bij het bouwen van molens gebruiken we op elkaar lopende kammen van verschillende houtsoorten. Daarnaast zorgen we voor een niet-op-elkaar-deelbaar aantal kammen in beide wielen om ongelijke slijtage te voorkomen.

Een spiegelgat is een open ruimte in een molenwiel waar een as in steekt, bijvoorbeeld tussen de kruisarmen waar de bovenas, vaak met boshout of stophout eromheen, in is bevestigd.

Het varkenswiel, ook wel sterrewiel genoemd, heeft naar buiten gerichte kammen en is relatief klein. Het bovenwiel is vaak het grootste wiel in de molen en heeft kammen die haaks op het oppervlak staan.

Een spoorwiel is een groot molenwiel dat meer dan één kleiner molenwiel aandrijft. Een takrad is de Groningse benaming voor het spoorwiel. Het ravenwiel is het spoorwiel van een pelmolen. Het steenwiel bevindt zich in industriemolens met kantstenen, zoals olie-, specerij- en verfmolens, en zit op de spil die deze stenen in beweging brengt.

De platen van een rondsel worden van iepenhout gemaakt omdat het een taaie houtsoort is. Hierdoor scheuren de relatief smalle dammen tussen de staven niet gemakkelijk uit.

De staven worden aan de einden enigszins conisch gemaakt, zodat ze onwrikbaar in de platen geklemd kunnen worden.

🔝