Het smeersysteem dat met een kettinkje olie op een onderdeel aanbrengt, wordt gebruikt om de pen te smeren.
In een bovenwiel vind je meestal vier plooistukken, maar zes komen ook voor.
Bonkelaars zijn met wiggen om de spil geklemd. Die wiggen worden met wouterlatjes geborgd.
Er bestaan vaste maanijzers en scharnierende maanijzers.
De overbrengingsverhouding tussen het gevlucht en de maalstenen van een achtkante stellingkorenmolen is ongeveer 1 op 5 tot 1 op 7.
Men bouwde een tijdelijke stelling aan het achterkeuvelens en hakte eerst een sleuf in de penbalk waar de zwichtstang later door gleed. Vervolgens liet men de molen draaien. Een lange boor werd geleidelijk door de bovenas geduwd. Dat is precies werk en soms mislukte het, waardoor de zwichtstang niet in het midden uitkwam. Toch werkte de zelfzwichting dan wel.
De stevige balk waar de vangbalk in scharniert heet 'de ezel’.
Ja, de vang kan werken zonder buikstuk. Dat zien we bij een bandvang, maar ook bij een stutvang.
Belegstukken zijn veel goedkoper om te vervangen dan een heel bovenwiel. Het was dus een investering in de toekomst.
De steek is de afstand tussen de harten van twee kammen in een molenwiel.
Een wiel met staven die langer zijn dan de doorsnede van de schijven wordt een lantaarnwiel genoemd.
Ja, de Wet van Buys Ballot is ook van toepassing op hogedrukgebieden, al moet je de richtingen omdraaien. Als je met je rug in de wind rond een hogedrukgebied staat, ligt de kern rechts achter je.
Het grootste gevaar voor een molenaar bij het ontstaan van een convergentie in de zomer is het onweer en zijn de valwinden. We zagen dit fenomeen vorige week hier in de provincie, met veel schade door omvallende bomen. En in België waaide zelfs een staakmolen (standerdmolen) om.
Met een anemometer meten we de windsnelheid.
De wielen in een molen brengen de kracht van het gevlucht (of het water) over op de aan te drijven werktuigen.
Biljoening is het licht afschuinen van de hoek of hoeken van een roe, zodat deze makkelijker in de wind draait. De zeeg is de vorm van het hekwerk van de molen, zichtbaar in de licht slingerende lijn van de achterzoom. De schoot is de hoek waaronder de heklatten ten opzichte van de roede staan, en deze kan per heklat verschillen. De porring is de buiging van de binnenroe, die ervoor zorgt dat de uiteinden van de enden in hetzelfde vlak draaien.
Bijzonder aan de tjasker is dat er geen enkele overbrenging nodig is. Eén en dezelfde as omvat zowel het gevlucht als het opvoerwerktuig.