De verschillen tussen een Groningse en een Zaanse pelmolen zijn dat de Groningse pelmolen een zifterij heeft waar Zaanse pelmolens een warme en een koude harp hebben, de Groningse pelmolen heeft vier zoggaten in de steen en de Zaanse zes, bij de Zaanse pelmolens kan de steen gelicht worden. Groningse pelmolens hebben meestal ook maalstenen zodat de molen ook bij minder wind in bedrijf kan zijn.
Het pelrondsel is kleiner dan het rondsel van de maalsteen omdat de pelsteen een hogere omwentelingssnelheid nodig heeft dan de maalsteen.
Bij één omwenteling van de bovenas gaat de pelspil tien keer rond en de steenspil zes keer.
Er wordt niets gemalen op een pelsteen.
De functie van het pelblik is de schil van de gerst af te halen, de schillen af te voeren en de gort tegen te houden.
Het pelblik heeft een omtrek van 5,77 m en met 30 cm hoogte een oppervlakte van 1,74 m² . Per m² zitten er 10.000 gaatjes, en dat is bij 1,74 m2 17.400-34.800 gaatjes. Al deze gaatjes worden met de hand geslagen.
De gaatjes in het pelblik zijn evenveel naar binnen als naar buiten geslagen.
Pelstenen zijn van zandsteen en deze kunnen bij hoge snelheden uit elkaar spatten. Daarom zijn ze altijd onder een vloer aangebracht.
Op een Groninger pelmolen wordt voornamelijk wintergerst gepeld tot gort of parelgort.
Het Groninger pelpoces in steekwoorden: voorloper, schuif, 2 minuten, schootemmer, naloper, schuif, 2 minuten, schootemmer, halfschil, zifterij. Herhaal het proces twee keer. Daarna naar de waaierij.
Pelmolens kunnen vanaf een gestage windkracht 4 tot aan windkracht 8 (4 tot en met 7 Beaufort) werken.
De dustgroup zit om de pelsteen heen.
De rauwbeitel wordt gebruikt om de zijkant van de pelsteen op te ruwen. Meestal iets schuin naar boven gericht, zodat de gerst en het halfschil goed op en neer bewogen worden.
Het verschil tussen een takrad en een ravenwiel is of er wel of geen steenspil wordt aangedreven. In het westen van het land wordt er door een ravenwiel alleen maar twee pelrondsels aangedreven en in het noorden worden door het takrad ook één of twee steenrondsels aangedreven.
Van Bussel-stroomlijnneuzen, systeem Fauël (fokwieken) en Dekkerwieken zijn wiekverbeteringen.
Omdat het instrument in de molen moet staan bij een standerd.