De laatste beroepspelmulder van Groningen was Tiddo Klaas Muda, vaak kortweg Tidde Muda genoemd.
Gort, sinds ongeveer de 17e eeuw in ons land bekend, werd veel gegeten door mensen met een laag inkomen. In Groningen waren dat er nogal wat, waardoor er grote behoefte was aan pelmolens.
Met name in de periode 1850-1900 kende de Groninger pelindustrie een grote vlucht. In 1900 waren er 299 pelmolens in de provincie.
Zoggaten zitten aan de onderkant van de pelsteen en zorgen voor een opgaande luchtwerveling langs de steen. Deze luchtstroom houdt de gerst in beweging en zorgt ook voor enige afkoeling van het product.
Na 1920 werden wiekverbeteringen bedacht, zoals fokwieken of verdekkering, om pelmolens vaker te kunnen gebruiken.
Als er een hele dikke nagel (die “rong”) ligt of een kleine begin je eens met de kleine. Dat doe je omdat het gat niet al te groot mag zijn, dan vliegt de gort naar buiten. Het gat moet wel zo groot zijn dat de schil (pel) erdoor kan.
De overbrengingsverhouding tussen het gevlucht en de pelsteen is ongeveer 1 op 9 tot 1 op 11.
Een pelsteen gaat ongeveer 3 keer per seconde rond, dus draait 180 toeren (per minuut).
Groninger pelmolens waren vaak voorzien van maalstoelen, waardoor je bij minder wind ook graan kon malen. Zo verdiende je ook bij minder wind toch wat geld.
Het verschil tussen dustgroupbaalken en slagbalken is de naam. Het is dezelfde balk: de dustgroupbaalk is de naam die in Groningen wordt gebruikt en heet in de Zaanstreek “slagbalk”.
Het handgat zit naast het gat in de pelsteen waar de bolspil in zit. Het dient om de steenbus te kunnen smeren en bij de neuten rond de bolspil te kunnen komen.
De Groningers zorgen ervoor dat het halfproduct en het eindproduct in verschillende stortkokers komen door een schotje om te zetten.
Het grootste gevaar voor een molenaar bij het ontstaan van een convergentie in de zomer is het onweer en valwind. We zagen dit fenomeen in juni 2026 in Groningen, met veel schade door omvallende bomen. En in België waaide zelfs een staakmolen (standerdmolen) om.
Biljoening is het licht afschuinen van de hoek of hoeken van een roe, zodat deze makkelijker in de wind draait. De zeeg is de vorm van het hekwerk van de molen, zichtbaar in de licht slingerende lijn van de achterzoom. De schoot is de hoek waaronder de heklatten ten opzichte van de roede staan, en deze kan per heklat verschillen. De porring is de buiging van de binnenroe, die ervoor zorgt dat de uiteinden van de enden in hetzelfde vlak draaien.
Het WBF-proces houdt in dat ijs makkelijk aangroeit in wolken als daar ook waterdruppeltjes in voorkomen. Die waterdruppeltjes hebben een hogere dampdruk dan ijs, waardoor er meer waterdruppeltjes boven (onderkoeld) water dan boven ijs ontstaan. Dus bewegen de watermoleculen zich in de richting van het ijs, dat daardoor aangroeit.
De uitdrukking is 'zuidwest - regennest'. Bij zuidwestenwind is de kans op neerslag heel groot.