Als je door een bui wordt overvallen, kun je vaak nog één of meerdere zeilen wegrollen door snel te werken. Snelheid is belangrijker dan netheid. Maak de zwichtlijnen los, leg ze in het midden op het zeil, trek een plooi in het zeil en rol het dubbel op met enkele flinke slagen. Als het klampen niet meteen lukt, sla het zeil dan om de voorzoom en zet het vast. Zet dit lege eind boven en kijk of er nog tijd is om een tweede zeil te klampen. Nadat de bui is weggetrokken wordt de molen weer in nette staat gebracht.
De roeden zijn van zachter hout dan de wiggen. De hardere houten wiggen veroorzaken deuken in het zachte hout van de roeden. Daarom zet men de horizontale roede nooit 'op de wiggen' (met de wiggen naar onder).
Als de molen nog te snel draait terwijl je al met blote benen en geknipte nagels maalt, vang je de molen en zet hem onder de wind. Dit noemen we 'zwichten met de staart'.
Je zet de molen liever iets onder de wind en niet boven de wind, omdat de wind tijdens buien en uitschieters ruimt en in kracht toenemen. Door het ruimen van de wind komt de molen nog verder onder de wind te staan en zou daarom langzamer moeten draaien. Maar door het tegelijkertijd toenemen van de windkracht behoudt het gevlucht over het algemeen zijn oorspronkelijke snelheid. Zet je de molen boven de wind, dan zal bij een vlaag de wind vol op het gevlucht komen en kan de molen op hol slaan.
'Het zeil in de lijnen leggen' doet men in Noord-Holland om slijtage van het zeil door schuren over het gevlucht te voorkomen. Men gebruikt een touw met een oogsplits en hangt dat aan de bovenste kikker, achter het gevlucht naar beneden hangend. Het opgerolde zeil wordt tegen de roe gedrukt, het touw gegrepen en door het hekwerk getrokken en achter de volgende kikker gelegd. De molenaar klimt naar beneden en herhaalt dit tot hij onder is aangekomen.
Als je zeilslag hebt, zet je de molen wat krimpend op de wind ('onder de wind'). Hierdoor neemt de wieksnelheid iets af. Mochten de zeilen ondanks deze maatregel blijven slaan, dan moet je zwichten.
Het werken met twee vollen en een lege roe wordt afgeraden. Het is het beste om op alle einden dezelfde zeilvoering toe te passen. Dan worden de askop en de kap gelijkmatig belast. Ook bij mankementen aan een roe of zeilen is het af te raden; het is beter eerst de molen te herstellen voordat je weer gaat werken.
Een poldermolen kan gemakkelijk 80 à 90 endjes of meer lopen; kleinere molens lopen sneller, grotere iets minder snel. Een gemiddelde korenmolen loopt doorgaans niet meer dan zo'n 70 endjes. Een standerdmolen draait iets sneller vanwege de kleinere overbrengingsverhouding.
De koningsspil draait mee als je kruit. Je kunt het aangekoppelde instrument onbedoeld ook meedraaien, wat schade kan opleveren. Zet de vijzel daarom uit het werk, zet de stenen uit het werk of licht ze, schort de heien op enzovoort voordat je gaat kruien.
Sommige vangen hebben de neiging te brommen als ze het gevlucht tot stilstand brengen. Op zich is dit niet verontrustend. Het is in ieder geval een duidelijk signaal dat de vang pakt. Het brommen mag echter niet ontaarden in het stoten van de vang. Stoten is een teken dat de vang hapt omdat men te straf vangt. Licht de vang even zodra hij hapt en het euvel is opgelost. Stoten is dus slecht voor de molen, brommen niet.