Het aanslaan van de roedewiggen en vele andere wiggen in gaande werk is molenaarswerk. Als het niet goed wordt aangeslagen, dan kunnen wielen uit het lood raken en de askop beschadigd raken.
Ja, dat mag zeker wel. Sterker nog, dat wordt van je verwacht wanneer kammen te los zitten dat je ze vastzet
Je ziet spiegelvlakken op de velg van beide of een van beide wielen. Ook wanneer je een verbinding hebt die flexibel is, zoals een spil die in en uit het werk gezet kan worden, blijft het zichtbaar.
Je controleert de scheerijzers van de knuppelstroppen, Je controleert of de kammen van de pal nog goed vastzitten.
Wouterlatjes zitten meestal net boven grote wiggen om te voorkomen dat, wanneer ze los raken dat deze niet weg kunnen vliegen.
Je graaft de kruipaal haaks op de molen, van de molen af, uit.
Het bij elkaar binden van een rafelig uiteinde van een touw met een wikkeling heet een takeling.
Met het scheprad kan men water tot 1,50 meter opvoeren.
Het krooneind. In het worteleind zitten de vezels het dichtst op elkaar. Dat eind is het taaist en sterkst en dus het best geschikt om er de gaten voor de roeden in uit te hakken.
De belegstukken zijn dwars geplaatste houtendelen over de velgen en de uiteinden van de plooistukken van een bovenwiel of een takrad. Deze extra stukken mogen slijten om slijtage van het bovenwiel of takrad te voorkomen.
De buienwind ontstaat omdat een stevige wolk, gevuld met (koude) neerslag, voorbijtrekt. De afkoeling die die wolk op de lucht onder hem overbrengt, zorgt voor een neerwaartse luchtstroom.
In de paltrok, eigenlijk onder de paltrok, vind je de koning en die draait in zijn zetel. Vanuit de koning lopen de schaarstokken waaraan elke stok een rol zit die samen het rollenkruiwerk vormen. De rollen dragen maar een klein deel van het gewicht en zijn vooral voor de stabiliteit.